Het landschap in Zuidelijk Flevoland tussen 9500 en 4300 BP.
Een landschapsreconstructie in het gebied Wet Bodembescherming
Rapportnummer 040
| Publicatiedatum 01 januari 1997
Auteur Gotjé W.
1.1 Drie onderzoeken In het kader van een groots opgezet onderzoek naar de landschappelijke veranderingen in en de bewoningsgeschiedenis van het meest zuidelijke deel van Zuidelijke Flevoland (zie fig. 1) tijdens het Holoceen zijn eind 1994 een aantal projecten van start gegaan. Ten eerste is in opdracht van De Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) in 1994 een onderzoek naar de opbouw van de ondergrond in het gebied Wet Bodembescherming begonnen met als doel om het voormalig landschap in de vorm van een serie paleogeografische en paleobotanische kaarten te kunnen schetsen. Ten tweede is door de aanleg van de snelweg A27 in Zuidelijk Flevoland ten zuidoosten van Almere een opgraving van een archeologische vindplaats uitgevoerd door de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) te Amersfoort. De opgraving vond plaats op kavel Kz48 tussen het kanaal de Hoge Vaart en de Tureluurweg (geografische coördinaten 151.600; 481.200) (zie figuur 1). De opgraving is uitgevoerd van november 1994 tot oktober 1996 en stond onder leiding van de provinciaal archeoloog van Flevoland drs. J.W..H. Hogestijn. De vindplaats was ontdekt tijdens een inventariserend booronderzoek op het traject van de toekomstige snelweg A 27 (Exaltus, 1993) en ligt op een met veen en klei bedekte dekzandrug langs de bedding van de voormalige rivier de Eem. Uit de voorlopige gegevens blijkt dat de vindplaats als jachtkamp in gebruik is geweest in het Mesolithicum en het Vroeg Neolithicum (tussen 6100 en 5700 BP). Ten derde zijn in opdracht van Rijkswaterstaat op de hierboven genoemde opgraving van Kz48 een 13-tal kernen gestoken om de exacte zand/veen grens te bepalen en te dateren ten behoeve van de reconstructie van de voormalige grondwaterstand in het gebied. Uit al deze gegevens kan geprobeerd worden om het voormalig landschap met zijn bewoning te reconstrueren. Dit verslag geeft een overzicht de resultaten van het onderzoek ten behoeve van de landschapsreconstructie in het gebied Wet Bodembescherming. Vrijwel alle gegevens zijn verzameld door de auteur. De boringen van profiel 3 zijn uitgevoerd in samenwerking met D.G. van Smeerdijk van BIAX Consult, terwijl de paleobotanische analysen van boring 28 en 85 geheel door D.G. van Smeerdijk zijn uitgevoerd.1.2 De reconstructie van voormalige landschappen De reconstructie van een voormalig landschap is een meerstappen proces. Eerst moet de (veen)stratigrafie van het te reconstrueren gebied nauwkeurig worden onderzocht. Hiertoe moet een netwerk van boringen worden uitgezet over het gebied, waarbij zoveel mogelijk langs potentiële gradiënten in het voormalig landschap moet worden geboord (d.w.z. loodrecht op rivieren en pleistocene opduikingen). Bij de beschrijving van het veen moet worden gelet op het voorkomen van zaden, hout, wortelresten, bladresten, mosresten e.d., terwijl tevens moet worden gekeken naar de hoeveelheid humeuze matrix (de amorfiteit) van het veen en de mate van doorworteling. De amorfiteit is een maat voor de omzetting van het veen. Op grond van deze gegevens kunnen de diverse veentypen worden gekarakteriseerd (zie o.a. Gotjé, 1993). Hiertoe is op verschillende plaatsen in het gebied dat onder de Wet Bodembescherming valt (zie fig. 1) een serie boringen gezet, die nauwkeurig beschreven zijn met nadruk op de samenstelling van het veen. Een uitleg van de profielen wordt behandeld in hoofdstuk 2.


